Meer geruzie dan wat anders: Eerste Hulp Bij Kibbelende Koters

Sarah Verschueren

Bekvechtende kinderen in huis: dat is best uitdagend voor je moederhart. Maar goed nieuws. Want bekvechtende kinderen zijn perfect normale kinderen, in een perfect normale broer-zusrelatie. Kinderpsycholoog Sarah Verschueren legt uit waarom kinderen ruzie maken, hoe je als ouder het best reageert en hoe je de positieve band tussen siblings kan aanmoedigen.

BEKVECHTEN IS NORMAAL EN HET IS NUTTIG

Eerst en vooral: dat je kinderen kibbelen of ruziemaken is perfect normaal. Hoe gek dat ook klinkt: broers en zussen vormen altijd een ‘natuurlijke bedreiging’ voor elkaar. Dat komt doordat ze elk afzonderlijk verlangen naar de exclusieve aandacht van hun beide ouders. Ze zijn bang dat zij net wat minder liefde of aandacht zullen krijgen dan de ander. Een beetje rivaliteit zal er dus altijd zijn. Kibbelen of ruziemaken kan je met andere woorden niet voorkomen. Het hoort erbij als ze samen willen spelen. Dat is alvast goed om te weten.

Kinderen leren hun grenzen te stellen tegenover broer of zus, ze leren zich aan te passen aan de situatie, ze leren te delen. Door ruzie te maken, leren kinderen ook zelf tot oplossingen te komen. Dat doen ze niet alleen thuis, maar ook op school. Ruziën is leerrijk. Het hoort erbij.

Kibbelen of ruziemaken is perfect normaal. Het hoort erbij.”

Sarah Verschueren

MAAR… HOE GA JE ERMEE OM?

Het is belangrijk om te weten dat jij, als ouder, die natuurlijke concurrentie tussen je kinderen kan versterken of verzwakken. Wil jij graag helpen om bruggen te slaan tussen de verschillende persoonlijkheden van je kinderen? Dan heb ik een paar tips voor je. Maar, vooraleer ik ze opsom: houd alsjeblieft in het achterhoofd dat de theorie wel wat anders is dan de praktijk. Zeker nu. Soms ben je gewoon te moe of te druk bezig om de situatie op een creatieve manier aan te pakken. Dat is niet erg. Soms is het gewoon messy, soms lukt het niet. Dat je nu op zoek bent naar antwoorden is al heel wat. En soms… lukt het ook gewoon keihard wel. Dus die pluimen steek je dan maar mooi op je moederhoed.

Oké, hier gaan we:

NEGATIEVE GEVOELENS MOGEN GEUIT WORDEN

Als ouder vinden we het helemaal niet fijn om onze kinderen te horen ruziemaken. Onze oplossing is dan ook vaak: proberen zo snel mogelijk een eind te maken aan het dispuut. ‘Stop ermee’, zeggen we dan. Maar: dat lijkt alleen maar te helpen. Want het gevaar bestaat dat de boosheid onderhuids blijft verder leven, zich opstapelt en bij een volgende ruzie met volle kracht weer naar boven komt. Laat je negatieve gevoelens toe, dan leidt dat net tot positieve gevoelens. Echt waar.

Concreet

  • Zijn je kinderen aan het kibbelen, dan kan je dat als ouder best negeren. Zo kunnen kinderen ervaring opdoen in omgaan met conflicten. Ze leren veel uit kibbelen. Zelfs een peuter die nauwelijks kan praten leert zo al z’n grenzen aan te geven.
  • Als de situatie escaleert en er bijvoorbeeld iemand een tractor tegen z’n hoofd gemikt krijgt (of dreigt te krijgen), grijp je in. Je gaat naar de kinderen toe en erkent hun gevoelens. Dan zeg je: “Jullie zijn heel boos op elkaar hé?”. Zo leer je hen voeling te krijgen met wat zij én de ander op dat moment voelen. Peuters kunnen zich dan misschien nog niet talig uiten: het is voor hen ook heel nuttig om gevoelens te leren herkennen.
  • Daarna kan je de situatie wat samenvatten: “Ik zie dat jij een boerderij wilde bouwen en dat jij wilde meespelen”, “Ik zie twee kinderen die boos zijn op elkaar en elkaar pijn willen doen”, “Ik zie dat je teleurgesteld bent omdat je zus je toren heeft omgeschopt”, “Ik zie dat je hebt gebeten, dat doen we niet. Als je boos bent kan je iets anders gaan doen”.
  • Soms is de situatie erg verhit: zorg er dan voor dat de kinderen hun boosheid eruit kunnen laten. De manier waarop hangt af van wat jij als ouder geschikt vindt, maar boosheid moét geventileerd worden en dat kan doorgaans niet op een ingetogen manier. Je kan je kind vertellen dat het kan zéggen dat het boos is (‘Ik ben boos, stop daarmee’), je kan het z’n boosheid laten tekenen of met een potlood in karton laten krassen, in een kussen laten slaan, tot tien laten tellen, tegen een bal stampen… Ontdek wat werkt voor jouw kind.
  • Je kan de kinderen ook apart van elkaar laten afkoelen. Zorg er dan wel voor dat de ruimtes waar ze heengaan ‘evenwaardig’ zijn. Stuur niet één kind naar z’n kamer terwijl het andere in de woonkamer mag blijven.
  • Probeer hen de ruzie zélf te laten oplossen. Je benoemt hun gevoelens en gedrag, maar ook het gevolg: “Dat is een probleem hé? Twee kinderen die tegelijk met hetzelfde speelgoed willen spelen? Hoe kunnen we dat oplossen? Hoe kunnen we het weer goedmaken?”. Zo motiveer je hen om zelf tot een oplossing te komen. Dat is niet altijd gemakkelijk voor kinderen. Je kan dus ook zelf wat ideetjes geven: om de beurt met de tractor spelen, één kindje dat even mee met jou komt koken, met de belofte om daarna af te wisselen. Maar als het kan: probeer de verantwoordelijkheid voor de oplossing toch bij hen te leggen. Dat is altijd sterker dan een oplossing die jij oplegt. Van zodra er een oplossing is, kan je weer verder met wat je aan het doen was.
  • Maar onthoud: dit is theorie. Het lukt de kinderen soms niet om tot een oplossing te komen. Of je hebt zelf niet altijd de tijd en ruimte voor langdurige onderhandelingen. De situatie en de emoties benoemen is al een héél belangrijke stap. Probeer die dus alvast te zetten en kijk dan wat er komt.

POSITIEVE GEVOELENS KAN JE STIMULEREN

Negatieve gevoelens mogen er zijn, maar positieve? Die zet je extra in de verf. En er zijn een paar handvatten om dat op een heel natuurlijke manier te doen.

  • Wanneer je kinderen mooi samen aan het spelen zijn, benoem je dat. Dat kan op het moment zelf, maar als je merkt dat hen dat te veel uit hun spel haalt, kan het ook achteraf. “Daarnet waren jullie heel mooi samen aan het spelen”. Ze zullen heel fier reageren.
  • De verleiding is – zeker nu het bij velen ‘wat’ moeilijker gaat dan normaal – groot om tegen anderen te vertellen hoe pittig het wel niet is, met de kinderen onder één dak. Zelfs al nemen je kinderen niet actief deel aan het gesprek, ze pikken de boodschap écht wel op. Probeer dus niet op de problemen te focussen, maar vertel in aanwezigheid van anderen net hoe leuk je kinderen samen spelen. Zet die momenten extra in de verf.
  • Heb je een baby of peuter in huis, vertel hem dan hoe speciaal zijn broer of zus is, terwijl de kleuter in kwestie erbij zit. Dat mist z’n effect niet.

VERMIJD WEDSTRIJDJES OF VERGELIJKEN

Het is soms sterker dan jezelf en je kan uiteraard niet voortdurend op je tellen passen, maar door niet te vergelijken en geen wedstrijdjes in te voeren, kan je de competitie verminderen, in de plaats van de rivaliteit onbedoeld te voeden.

  • “Wie is er het snelst?” of “Wie kan het best opruimen?”. Laat je kinderen niet met elkaar wedijveren, maar laat ze samenwerken in een wedstrijd tegen de klok.
  • Zeg niet: “Je zus eet veel properder dan jij”, maar beschrijf wat je ziet: “Je hangt vol met havermoutpap”.
  • Zie elk kind als een individu. Wij willen onze kinderen gelijk behandelen, en elk kind altijd precies evenveel geven. Omdat we als de dood zijn om één van onze koters per ongeluk ‘voor te trekken’. Maar je kinderen zijn niet exact dezelfde wezens. Ze hebben andere behoeftes. Op het ene moment heeft de ene bijvoorbeeld meer honger dan de andere. Ga dus niet afgemeten druiven tellen (“tien voor elk”), maar serveer porties naargelang de behoefte. Door te veel en te expliciet te gaan afmeten, wek je net de indruk dat er effectief een competitie is.
  • Zeg liever niet: “Ik hou evenveel van jullie allebei”. Een kind zal dat altijd interpreteren als: “Oei, dan verlies ik”. Want het wil net dat je méér van hem houdt. Wat helpt, is zeggen waarom je je kind graag ziet. “Ik hou van je om wie je bent. Omdat je zo’n grappenmaker bent en omdat je zo lief bent”. Dan speelt er geen vergelijking met broer of zus mee. Het gaat om het kind, en om het kind alleen.

BOUW ALLEENTIJD IN MET ELK KIND

We denken al te vaak dat ‘gezellig samenzijn’ het hoogste goed is. Maar: één-op-één tijd met een ouder geeft je kind de emotionele voeding die het nodig heeft. Kan een kind even alleen zijn met mama of papa, dan daalt de spanning, kan hij of zij weer rust vinden en worden de reserves weer aangevuld. Daarna kan je kindje weer veel toleranter zijn naar z’n broer of zus toe. Een kwartiertje met één kind apart gaan zitten, helpt echt enorm. Zeker als je het gevoel hebt dat er zich onderhuids stevig wat irritatie aan het opbouwen is: verdeel en heers.

HELP: ZE KUNNEN NIET DELEN!

De grootste bron van ruzies? Meestal het speelgoed dat gedeeld moet worden. Hoe dijk je de frustraties wat in? En hoe leer je kinderen delen?

  • Toon als ouder dat je zelf ook graag en zonder probleem deelt. Tijdens het vieruurtje deel je bijvoorbeeld ostentatief eens iets lekkers met je partner.
  • Als je hen dwingt om te delen, zullen ze zich nog meer vastklampen aan hun speelgoed. Leg liever uit dat delen ook voordelen heeft: als je apart speelt met het eigen speelgoed, heb je namelijk maar de helft.
  • Benoem wanneer ze mooi samen spelen.
  • Soms merk je als ouder op dat het oudste kind altijd het beste of mooiste speelgoed weet te bemachtigen. Laat het los. Zolang het jongere kind dat niet erg vindt, laat je dat maar gewoon gebeuren. Als de jongste niet akkoord is, zal die dat zelf wel laten merken. Zo leert hij ook weer grenzen aan te geven.
  • Duidelijke regels helpen. Je kan bijvoorbeeld afspreken dat al het speelgoed dat beneden wordt bewaard ‘van iedereen’ is. En dat als er speciale stuks zijn die ze liever voor zichzelf willen houden, ze die op een speciale plek op hun kamer mogen bewaren. Het andere kind vraagt dan toestemming om ermee te mogen spelen.
  • Wordt er afgepakt, zeg dan: “We nemen niets af. We vragen eerst of jij ermee mag spelen.” Benoem ook dat je begrijpt hoe moeilijk het is om van elkaars speelgoed af te blijven. “Je zus wil ook graag eens kijken met wat je speelt. Ze is nieuwsgierig en wil er graag eens aan voelen.” Zo motiveer je hen om het speelgoedje in kwestie ook even aan de andere te laten. Probeer hen zelf een oplossing te laten verzinnen (of suggereer zelf iets, zoals een beurtrol).
  • Voor een peuter is delen niet gemakkelijk. Hij denkt nog heel erg vanuit z’n ‘ik’ en kan zich moeilijk verplaatsen in het standpunt van broer of zus. Maar toch: benoem de situatie. Ze pikken daar verbazend veel van op.
  • Even gaan wandelen met de kinderen, levert weer zuurstof aan. Het haalt hen uit de thuissituatie (waar er speelgoed gedeeld moet worden) en laat hen toe om te ontdekken en te spelen met wat ze op hun pad vinden. Wandelen is samen zijn, maar tegelijk zijn kinderen (net als wij) dan ook apart bezig. Ieder in z’n eigen hoofd.”

MEER INFO?

Sarah Verschueren is kinderpsycholoog. Ze kan je bijstaan met je opvoedkundige vragen en onzekerheden – psychologe.verschueren@gmail.com

Een aanrader als je je meer wil verdiepen in het onderwerp: het boek ‘How2talk2kids: broers en zussen zonder rivaliteit’ door Elaine Mazlish.

Scroll To Top